‘Als ik president zou zijn…’ Hij valt even stil. Eigenlijk mogen we het hier niet over hebben. Op zachte toon vervolgt hij zijn zin: ‘Dan zou ik investeren in duurzame energie. We hebben zon, wind, water. Dit eiland geeft ons zoveel. Het is tijd dat we daar gebruik van maken.’ Ik zie het vuur in zijn ogen. We staan voor de levensgrote beeltenis van Che Guevara in Santa Clara. Wanneer er een bewaker voorbij komt, houdt hij zijn lippen stijf op elkaar gedrukt en frommelt ongemakkelijk aan zijn T-shirt. Dan lacht hij breeduit: ‘Maar wij weten allebei dat ik nooit de president van Cuba zal worden. En geloof me, ik ambieer het ook niet.’ We moeten lachen. ‘Ik zou anders wel op je stemmen,’ zeg ik met een knipoog.  Samen lopen we gemoedelijk naar de plastic stoelen van het dichtstbijzijnde cafetaria. Hij bestelt een fles Havana Club Rum. Het is zes uur geweest: tijd om te drinken.

De onzichtbare verkiezingen

Op 11 maart 2018 was het zover. Het was tijd om naar de stembus te gaan. Ik als onwetende toeschouwer had niet eens door dat het verkiezingen waren. Er waren geen overdreven televisiereclames. De verkiezingsposters verschenen pas een dag van tevoren. ‘In ieder geval verspillen we geen geld aan de campagne, zoals in Amerika,’ merkte een Cubaan van middelbare leeftijd lachend op. Een kans om zich af te zetten tegen de grootmacht laat men niet graag onbenut. 

De Cubaanse vlag wapperde trots boven lokale schooltjes, gemeentehuizen en sporthallen. Mensen begaven zich plichtsgetrouw naar de stemlokalen om een kruisje te zetten bij namen van de afgevaardigden van de enige Cubaanse politieke partij: de Communistische Partij. 

Mijn volgende vraag aan de Cubaan getuigde van een simpel en westers wereldbeeld: ‘Waarom ga je stemmen als er maar een partij is die kan winnen?’  Hij keek me vol verbazing en met medelijden aan: ‘Omdat je anders tegen de Revolutie bent. Je brengt een stem uit om te laten zien dat je nog steeds van je land houdt. Daarna drink je samen rum om dat te vieren.’ Hij trok zijn linkerwenkbrauw op en moest toen lachen: ‘Eigenlijk zoeken we altijd naar een excuus om te kunnen drinken.’ 

Na die bijzonder normale verkiezingsdag hoorden we eigenlijk niets meer over de miljoenen Cubanen, die op  11 maart naar het stemlokaal waren gegaan. Het was niet onrustig. Er waren geen rellen. Er was geen nieuws. Niemand wist wanneer de nieuwe president zou worden gekozen door de afgevaardigden. Iedereen leek wel te weten dat de nieuwe president iemand uit de vertrouwenscirkel van voormalig president Raul Castro zou zijn. Dat was ook zo, zijn vice-president, Migel Diaz-Canel werd een maand later uitgeroepen tot president van Cuba.

Deze diashow vereist JavaScript.

Verandering?

We spelen domino onder de schaduw van een mangoboom. Hij kijkt ernstig naar de drie stenen, die nog op zijn houten bordje staan. De namiddagzon staat hoog aan de hemel. De lange grassprieten kriebelen aan mijn tenen. ‘Gaat er nu wat veranderen?’ Terwijl hij zijn dominosteen gedecideerd op tafel plant, kijkt hij me meewarig aan: ‘Waarom denk je dat? Er is al van alles veranderd.’ Zijn antwoord is niet zo zeer desinteresse of irritatie, als wel ingegeven door de concentratie waarmee hij het spel speelt. Als hij zijn laatste twee stenen op tafel heeft gelegd en een liedje van Enrique Iglesias heeft opgezet, vraag ik het hem opnieuw. Terwijl hij een slok neemt van zijn Bucanero bier, antwoordt hij: ‘Ik meende het wel. Er is al veel veranderd onder Raul. Hij heeft naar China gekeken en gezien dat gedeeltelijke liberalisering ook samen kan gaan met socialisme. Daarom mag mijn nichtje nu een Bed& Breakfast hebben en heeft mijn oom een restaurant.’ 

Ik knik en denk aan de ‘te koop’ bordjes die ik gisteren in Havana op een metalen afrastering zag hangen. Een decennium geleden was dit ondenkbaar geweest. Je mocht toen alleen je huis ruilen, niet verkopen. Als je uit elkaar ging en in hetzelfde huis woonde, bouwde je met toestemming van de dorpsoudsten een muur dwars door je woonkamer en verdeelde je het woonoppervlak in tweeën. Het was een simpele oplossing voor een veel voorkomend probleem. Iets verkopen, een computer aanschaffen binnen de landsgrenzen of de opbrengst van je eigen grond houden, waren ondenkbare acties. Sinds ex-president Raul Castro niet langer de voltallige bevolking voor de staat liet werken en diverse beroepen vrij gaf, mocht dit opeens wel. Volgens sommige luidde dit het einde in van de Revolutie. Volgens anderen was het juist een nieuw begin. Mijn spelgenoot glimlachte breeduit: ‘Er hoeft hier ook niet zoveel te veranderen. Jullie…’ zei hij met nadruk beschuldigend: ‘zijn altijd opzoek naar hoe het beter kan. Hoe je meer kunt verdienen. Jullie werken. Wij Cubanen leven. En zeg nou zelf? Wat doe jij liever?’ Verbaasd over zijn plotselinge scherpte, hef ik mijn glas: ‘Zullen we daar dan maar op proosten?’ 

Lachen is gezond

De rest van de dag hebben we het niet over politiek. We praten over het leven: liefde, dans, vriendschap, muziek. Onze glazen klinken met die van passerende buren. We eten rijst met bonen en gegrild varkensvlees. Het leven is simpel. Het voltrekt zich. Misschien hoeft er inderdaad niet zoveel te veranderen, begin ik te denken. Altijd meer en anders is niet per se beter. 

Dan rijd ik over de weg naar Pinar del Rio. Mijn chauffeur grapt dat het wel aan de weg te zien is dat er geen wegenbelasting wordt  betaald. Zijn broer gaat morgen naar Mexico om airconditioners te kopen. Die zijn op Cuba schrikbarend duur door het gebrek aan concurrentie. Het is goedkoper om heen en weer te vliegen, legt hij me vrolijk uit. Zelf probeert hij al jaren een vriend te bezoeken in Panama, maar hij krijgt geen afspraak op de ambassade. Wanneer ik hem alweer zo’n vreselijk naïeve vraag stel en aangeef dat ik me afvraag of hem dat niet irriteert, zegt hij: ‘Elk systeem heeft zijn gebreken. Dat van jullie ook. Daarom kan ik om de onze lachen. Dat is uiteindelijk het belangrijkste. Er zijn namelijk ook heel veel goede dingen. Die worden alleen te weinig benoemd.’  Zijn woorden echoën na wanneer ik in de zoveelste Cubaanse rij sta. Ook ik houd van Cuba. Plotseling vrees ik dat het ooit een slap aftreksel zal worden van het Westen. Ik sta met hernieuwd plezier in de rij. Ik lach.